article

Next Level? Eerst maar een Tutorial!

Met de tentoonstelling Next Level: Art, Games & Reality doet het Stedelijk Museum in Amsterdam een poging om mee te gaan in de hedendaagse culturele ontwikkelingen. Games zijn tegenwoordig vergelijkbaar met films als gaat om culturele en economische impact. Het is dus niet raar dat museum als het Stedelijk aandacht besteedt aan deze jonge en vitale vorm van populaire cultuur. Het is dan ook jammer te moeten constateren dat de tentoonstelling aan futiliteit ten onder gaat. Met Next Level laat het Stedelijk zien weinig van het nieuwe medium te hebben begrepen. Kwalijker is het dat het Stedelijk daarmee zich zelf en de ontluikende culturele stroming binnen de games alles behalve een dienst bewijst.

De omvang en kwaliteit van de tentoonstelling zijn zo ver beneden peil dat het eigenlijk moeilijk is een goed oordeel over de tentoonstelling te vormen. Het is een verzameling op games gebaseerde videokunst, afgewisseld met wat filmpjes van hedendaagse games, een 'hall of fame' bestaande uit drie spellen (waarvan slechts één speelbaar), en één heuse interactieve installatie. En dat, zoals we van het Stedelijk gewend zijn, zonder noemenswaardige of zeer subjectieve duiding. Na vier zaaltjes ben je eigenlijk blij dat het alweer voorbij is.

Dat het kunstzinnige gehalte van de tentoonstelling zwaar tegen valt, is al meer commentatoren op gevallen. Maar dat de tentoonstelling geen blijk geeft van enige kennis van, of visie op de games zelf vind ik zo mogelijk nog schadelijker. Een 'hall of fame' met slechts drie keuzes gemaakt door de Game Kings doet geen recht aan de verscheidenheid die het medium de laatste jaren heeft ontwikkeld. Het is moeilijk voor te stellen dat het Stedelijk een Cobra tentoonstelling zou organiseren en het zou wagen deze stroming te reduceren tot een selectie van drie werken. De drie spellen die de ‘Japanse stijl’ binnen games representeren, zijn ook in speelgoedwinkels op de Kalverstraat te bewonderen (én te spelen). Ergerlijk is dat het Stedelijk niet eens de moeite neemt de makers van de games te vermelden. Games worden daarmee gepresenteerd als kunst zonder kunstenaars, en het Stedelijk verlaagt zich daarmee tot hetzelfde bedenkelijke niveau van de populaire gamesjournalistiek. Deze laat zich al jaren leiden door de grote uitgevers van games, en die hebben er geen baat bij om ontwerpers te veel krediet en status (en daarmee creatieve invloed) te geven. De uitgevers en producenten van gameconsoles hebben daarentegen waarschijnlijk geen moment getwijfeld toen het museum vroeg of ze wat spelcomputers beschikbaar wilden stellen. Een betere locatie voor hun producten konden ze zich waarschijnlijk niet voorstellen, een goede aanvulling op de reclamedisplays die te vinden zijn in de gemiddelde megabioscoop.

Het is te hopen dat niet al te veel gedesillusioneerde gamers besluiten nooit meer een voet in een museum te zetten, of hun favoriete medium blijven beschouwen als plat vermaak. Games zijn namelijk veel interessanter dan Next Level doet vermoeden. Met wat meer visie en kennis van zaken had het Stedelijk er echt wat van kunnen maken. De ondertitel van de voorstelling (Art, Games & Reality) snijdt een paar van de belangrijkste thema's aan uit de ontluikende wetenschappelijke 'game studies'. De relatie tussen games en de werkelijkheid is bijvoorbeeld bijzonder complex. Enerzijds zorgen de technologische ontwikkelingen er voor dat games steeds realistischer lijken, anderzijds zullen spellen nooit realistisch worden: daarmee zouden ze het idee van een spel verloochenen. Het is namelijk niet leuk als je in een realistisch race spel ook jaren zou moeten trainen voordat je de baan op kan. Games zijn gestileerde simulaties van een werkelijkheid die nooit zal bestaan.

In Japan staan games al sinds de jaren tachtig op de kaart als serieuze vorm van kunst en cultuur. Daar is het niet ongebruikelijk dat een filmmaker besluit om als volgende project een game te maken (en met een overwegend beter resultaat dan de recente game King Kong). Een van de belangrijkste Japanse ontwerpers, Shigeru Miyamoto, is opgeleid als industrieel ontwerper. Eigenlijk wilde hij speelgoed maken. Bij Nintendo ging hij aanvankelijk aan de slag als ergonomisch ontwerper van de console en de controllers, maar al snel ontwierp hij games zoals Donkey Kong, Mario en Zelda. In het Westen, daarentegen, worden games voornamelijk ontworpen door techneuten die ooit als tester zijn begonnen en zich langzaam omhoog hebben gewerkt. De Japanse opvatting van games als culturele expressie heeft er voor gezorgd er veel meer ruimte is voor experimentele games. Helaas worden deze in het Westen maar zeer sporadisch uitgebracht. Een tentoonstelling hierover had de waardering voor dergelijke, kunstzinnig vaak zeer interessante, games kunnen voeden.

Het voor de leek meest aansprekende filmpje over Grand Theft Auto: San Andreas (ontworpen door Aaron Garbut en geproduceerd door Leslie Benzies) is exemplarisch voor het bedroevende niveau van Next Level. Het laat de gewelddadige uitersten zien die in dat spel weldegelijk aanwezig zijn, maar gaat voorbij aan het reflectieve karakter die het spel als cultureel of zelfs kunstzinnig commentaar op de hedendaagse (Amerikaanse) samenleving zeer relevant maakt. Het spel gaat bijvoorbeeld ook over de effecten van excessieve 'branding'. Hoeveel games zijn er die massale Rodney King rellen in Los Angeles verwerken in hun script? Niet gehinderd door enige kennis van zaken laat het Stedelijk een enorme kans liggen om het publiek te laten zien dat sommige games als kunstvorm midden in de maatschappelijke werkelijkheid staan.

http://www.jorisdormans.nl/article.php?ref=stedelijk